Liefste Peter,
Het duurt nu al drie dagen. Drie dagen ben je weg. Je bent vertrokken met knapzak en microfoon en we hebben je niet meer gezien sedertdien. Drie dagen reeds breng ik door zonder jou, ochtendkabeljauw. Drie dagen reeds staar ik uit het grote raam met uitzicht over Brussel en drie dagen reeds hoop ik ergens aan de einder een sprankeltje van jouw hemelse warme lichaamsgloed op te vangen.
Maar drie lange dagen reeds komt er niets. De grote zak van de postbode bewaart geen brief van jou voor mij. De telefoon houdt zijn vermaledijde muil en rinkelt slechts zelden. En nooit oh nooit is het jouw stem die de hoorn mij horen laat.
Peterlief, Peterman, Peterzoet, Hartendief! Ik hoop dat je in goede gezondheid bent en dat je dit bericht, deze smeekbede om nieuws van jou, goed ontvangt. Verder hoop ik ook dat je je afhoudt van deugnieterij, nu Tomas, Lambibambi noch ik er zijn om jou daar van af te houden.
Je stoel aan je bureau wordt goed warm gehouden door de ochtendkraai. We hebben posters met een 'welkom terug'-boodschap in de studio gehangen. En ik heb je t-shirt van Nijntje gewassen en gestreken. Dan heb je zeker iets warms aan te trekken als je helemaal verfomfaaid uit je hol komt gekropen.
Hou je goed! We missen je!
Sofie