De juf stapte zelfzeker het lokaal binnen en kletste een witte, plastic zak op tafel. ’Vandaag, jongelui, leren jullie wat het is wetenschapper te zijn.’ ..:namespace prefix = o ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:office" />
Na het verplichte aanleggen van een herbarium, de uitstap naar het bos voor boletenonderzoek en de dag waarop we ons wangslijm microscopisch mochten bestuderen, leek dit de zoveelste vergeefse poging om ons, luie pubers, te overtuigen van het nut en de sensatie van biologie.
Ik had het niet meteen gezien. Ik zag vooral het meisje achter mij grijs worden en de jongen naast haar zijn ogen sperren. Ik zag een ander meisje haar hand voor haar mond slaan en tranen wellen in de ogen van haar vriendin. En toen pas zag ik de juf. Haar linkerhand omklemde de donzige oortjes van een lief en klein, maar morsdood konijntje.
Het was dissectiedag. En we konden er niet meer onderuit.
Ik herinner me niet alles meer. Ik herinner me wel nog dat het gruwende meisje snel boven de vuilnisbak hing en dat haar vriendin (steeds droever huilend want vegetarisch) daarbij de haren uit haar gezicht probeerde te houden. Eén jongen werd de klas uitgezet, wegens diefstal van een orgaan. Een andere jongen kreeg het lastig met zijn mannelijkheid en zijn maten toen ook hij emotioneel werd van het gebeuren.
Ondertussen ging de juf het konijntje als een razende te lijf. Genoeg gehuppeld! Steeds meer leerlingen sneuvelden en draaiden zich walgend en wurgend de andere kant op. Ik bleef staan.
Ook toen ze met een mes en twee vingers een keutel uit de darmen probeerde te peuteren. En ook toen daarbij grote brokken keutel onder haar lange nagels terecht kwamen. En ook toen ze per ongeluk de urineblaas aansneed en daarbij een zeer gulle straal konijntjesurine in het gezicht kreeg.
De juf stond aan de lavabo in de hoek van het lokaal. Ze probeerde kaka van onder haar nagels te peuteren met een tandenstoker en pipi van haar gezicht te wrijven met de bordspons. Met opvallend minder enthousiasme. Zo voelde het dus. Wetenschapper zijn.