Al een tijdje vraag ik het me af. Wat je dan allemaal doet. Van zodra je een datum hebt, wat doe je dan? Welke dag kies je? Eén met mooie getallen? Een dag die de dokter past? Hangt het af van beschikbare bedden in het ziekenhuis? Of bel je ’s morgens, als je denkt dat het welletjes is geweest, dat je die dag graag zou langs komen? Dat je ’t wel hebt gehad nu. ..:namespace prefix = o ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:office" />
Ik beeld me in hoe het moet zijn te weten dat je binnen pakweg een tiental dagen er mee ophoudt. Je bent ziek. Je bent moe. Je wil weg. En dan hoor je dat je weg mag. Ze gaan je missen. Maar je mag. Ze willen van je weten hoe je het graag ziet, die laatste dagen. En ze gaan er voor zorgen dat het gebeurt. Alles komt goed. Ik beeld me in dat je rustig en gelukkig bent. Misschien wel voor het eerst.
Je spreekt met mensen die je dierbaar zijn. Voor de allerlaatste keer. Je voelt veel voor hen. Je zegt hen niet wat je plannen zijn, dat is niet belangrijk. Je vraagt naar hún plannen. Je gaat naar het café waar jullie altijd gaan en je bestelt wat je altijd bestelt. Zij bestellen wat zij altijd bestellen. Samen lach je om oude grappen. Je merkt misschien voor het eerst een schilderij boven de toog op. Het is mooi. Je had het zelf ook gekocht.
Ik beeld me in dat je een aantal dingen nog wil doen. Geen grootse dingen. Gewoon. De dingen waar je altijd zo van genoten hebt. Een sigaret. De crème brulée van dat ene restaurant. Een krant op zondagochtend bij een boterham met jonge kaas. En je lief in de buurt. Ik beeld me in dat je nooit zo geproefd, gesmaakt hebt. Ik beeld me in dat je kust en dat je lippen tintelen.
Ik bedenk dat er misschien geen mooiere dagen zijn. Je gooit je handdoek in de hoek en stapt uit de ring. Je wordt een toeschouwer in het publiek. Je mag achterover leunen en kijken. Ik beeld me in dat je dan heel rustig en gelukkig bent. Misschien wel voor het eerst.
Hugo Claus stapte deze week uit het leven. Twee weken voordien deed Marcel Engelborghs hetzelfde. Ze waren moe en ziek. Ze wilden weg. En ze gingen weg. Ze hadden pijn, maar nog niet teveel. Ze vergaten dingen, maar nog niet alles. Ze kózen voor hun laatste dagen. Ze keken ons aan, knipoogden nog eens snel en stapten weg. Fier.